Het nu volgende verhaal is echt gebeurd, in 1981 – een tijd zonder mobiele telefoons, zonder computers, zonder internet; een tijd, kortom, waarin je werkelijk weg kon zijn van alles wat je kende…

Een verhaal en tekeningen van Daan Remmerts de Vries

En weg waren we; verdwaasd liepen we rond. Na een tocht van zes uur in een ouderwetse auto, door de woestijn, waren we aangekomen in het Gir-forest – een bosgebied in Gujarat (in India). We hadden hier een hut gehuurd, bij een resthouse. Tien stenen hutten stonden rondom een grasveld. Soms keek de smalle hagedissenkop van een varaan vanuit een hol omhoog, boven het kort gemaaide gras. We dwaalden langzaam verder, de nieuwe omgeving stap voor stap verkennend. Achter die hutten begon een kurkdroog terrein met losse bomen. In één van die bomen zat een groep langoers: zilverwitte apen met zwarte gezichten. We liepen eronderdoor zonder ze te storen, en kwamen uit bij een rivierdal, zo breed als een brede straat. Precies in het midden was er een stroompje, dat zijn weg over de bodem zocht.

Een helling naar beneden, gras, riet, kiezels, zand; dan dat stroompje, waar we overheen konden springen. Iets verderop ging de helling weer omhoog, en daarboven begon het bos, maar woester dan we tot nog toe hadden gezien. Met reusachtige, stekelige vetplanten en met woudreuzen, letterlijk ‘een muur van bomen’. We durfden daar niet in te gaan. Dus volgden we het stroompje en we voelden ons klein naast het oprijzende woud. Ergens stond een waterbuffel, een schonkig dier. Daarbovenop zat een drongo (een zwart vogeltje met een lange staart). Hoog boven ons, boven de bomen, cirkelden wat gieren…

Wij leefden toen voor dieren. Ravi en ik, al jarenlang maakten we samen tochten, met verrekijkers en met vogelgidsen. Het menselijk leven bestond niet werkelijk voor ons want wij waren bezeten; wij wisten, waar anderen onzin uitsloegen. Wij konden, bedoel ik, een grasmus onderscheiden van een braamsluiper, een poelsnip van een watersnip. Door deze vernauwing in ons denken waren wij kenners geworden, aan een half woord hadden wij genoeg.
‘Zwarte ibis.’
‘Ja. Wauw.’
‘Een wouw? Waar?’
‘Met “wauw” bedoelde ik “goh”.’
Dat was hoe wij toen praatten. En onmiddellijk richtten wij onze camera’s en namen een sluipstand aan.
Maar in India bleken de meeste dieren maar nauwelijks bevreesd te zijn.

We slopen dus zoals we dat in Hollandse weiden gewend waren geraakt; omzichtig, ons kleiner makend, uiteindelijk bijna liggend – maar die ibis, die donkere vogel met zijn lange, kromme snavel, vloog niet op, maar bleef kalm porren in de modder van dat stroompje. Zo leerden we, al op onze derde Indiase dag, dat dieren niet bang voor mensen hoeven te zijn, zolang er niet op ze geschoten wordt. En wat een rijkdom was er hier. Telkens weer ontdekten we iets nieuws, telkens klonken onze zachte, verraste kreten op, over het murmelende water. En de spanning…! We waren nu in een gebied waar panters woonden. Beren. Wolven. Hyena’s. Civetkatten. En leeuwen. We verwachtten deze dieren voortdurend.

Pas toen het licht grijzer begon te worden liepen we terug, en we aten in een kleine eetzaal.
‘Varanen?,’ zei ik, boven mijn rijst. ‘En een ibis. En drie witruggieren. En langoers.’
‘En twee Indische kieviten,’ zei Ravi. ‘En een pitta en een drongo en een Indiase steenuil. En die mungo.’
‘Ja! Die mungo…’
Daarna, weer buiten, was het tropisch donker en we liepen door de warme, geurende nacht naar onze kamer.
We waren, in deze zinderende hitte, vlak voor het uitbreken van het regenseizoen, de enige toeristen hier.

Twee dagen later gingen we het woud dan eindelijk binnen. We zaten achter in een jeep. Op de bodem, liggend naast onze voeten, bevond zich een jonge waterbuffel. De jeep hobbelde over boomwortels, over drempels van reuzenbomen, waarin lianen omlaag hingen. Voorin zaten twee gidsen en een chauffeur. Die gidsen hadden ouderwetse geweren bij zich. En ze hadden de vorige dag sporen gevonden van een groepje leeuwen. Hiervoor waren we gekomen! Eindelijk zouden we gaan zoeken naar ons doel: de leeuwen van het Gir. De laatste in Azië… Ravi en ik, we controleerden onze camera’s, en we keken naar de glimmende, vochtige neus van dat buffeltje, en we geloofden het allemaal nog niet, we werden gewoon wat rondgehost over zandpaden en wortels door dat eindeloze, kronkelige bruine bos.

De jeep stopte op een stille weg. Daarna lopend, de afgevallen bladeren knisperden onder onze voeten, verder was het merkwaardig stil. De bruine, bleke hitte lag als een deken over alles, we bewogen ons loom. Onze gidsen wandelden zacht overleggend voor ons uit. Ze voerden het buffeltje met zich mee, een donker, mager kalfje aan een touw. Soms gaf het een klaaglijk geluid af. Het was maar boerenbedrog, dachten we, om ons wat roepies afhandig te maken; een vreemd toneelstuk.

In het mulle zand van een droge bedding hielden we stil. De gidsen schenen naar iets te luisteren. Voor ons rees een oever omhoog, achter ons ook, alles stond vol met grijze struiken en met prikkelige, lage bomen. En achter ons, tussen de struiken, verscheen ineens de kop van een leeuw, zonder manen. We sisten elkaar toe: ‘Een leeuw…!’ Door de lens van mijn camera zag ik hoe het beest zich voorover liet vallen, de zandhelling af. Door de lens zag ik hem groter worden. Steeds groter… En toen liet ik mijn camera zakken en deed ik enkele sprongen achteruit. Links van ons kwamen nog twee leeuwen aanrennen, tussen de bosjes. En rechts van ons nóg twee leeuwen. Allemaal holden ze zonder enige aarzeling recht naar ons toe. Doodsangst is niet helemaal onprettig… Alles wat je ziet wordt langzaam, en nadrukkelijk, oneindig nadrukkelijk… Wat deden wij tijdens die uitgerekte seconden? Wij wisselden lenzen.

 

Ravi en ik, wij waren uit hetzelfde hout gesneden; wij schroefden onze telelenzen van onze camera en vervingen die door standaardlenzen, stomweg omdat die leeuwen, vijf leeuwen, nu heel erg dichtbij waren. Ravi had een statief bij zich, dit liet hij in zijn zenuwen vallen. Ik zei toen: ‘Hoeveel roepie krijg ik als ik je statief opraap?’ Dit gebeurde allemaal binnen enkele momenten, en ik denk, weet wel zeker, dat wij ons het uur van onze dood niet konden indenken. Dat wij stomweg voelden dat wij nog lang niet zouden sterven…
Omsingeld door vijf leeuwen – op enkele meters afstand van ons verwijderd. Zo stonden we onmetelijk lang, enkele ogenblikken, in een droge rivier in Gujarat, totaal verbijsterd, en intussen fotograferend, en twee gidsen met geweren en een tegenstribbelend waterbuffelkalf liepen in de verte haastig weg. Wij volgden hen, via het enige pad dat de leeuwen voor ons openlieten.

Een half uur lang liepen wij door het knisperende bos, twee onsterfelijken, tussen leeuwen en gidsen. Loerend, soms even wachtend, liepen de katten achter ons aan; zichtbaar hopend op dat buffeltje. Soms gingen hun bekken open. Soms kwijlde er een; dan stapten wij haastig door. Door schaduwplekken en door zon, over een nauwelijks zichtbaar paadje. Zwetend kwamen we ten slotte bij een grote open plek. Aan de rand daarvan bleven de leeuwen staan, tussen de bomen. En daar verscheen die jeep weer, blijkbaar was dat van tevoren afgesproken. Het kalf werd ingeladen en wij gingen zitten op de achterbanken van de auto. En we lieten vijf magere, starende leeuwen achter…

Dat is eigenlijk alles. Geen doden, geen dramatische ontknoping… Die avond belde ik mijn ouders, vanuit een kantoortje in ons resthouse. Ik kreeg mijn moeder aan de lijn.
‘Hallo, met mij…’
‘Ha lieverd!’ riep ze. ‘Alles goed? Waar ben je?’
‘In het bos,’ zei ik. ‘Een bos met leeuwen. En ja, alles is goed. Alles is zelfs geweldig.’
Want maar zelden had ik me zó onoverwinnelijk gevoeld, zo gevuld met triomfantelijk leven, als toen.

Uit BoekieBoekie 87 (2012)
Daan Remmerts de Vries was van 1999 tot 2002 redactielid van BoekieBoekie en leverde daarnaast talloze verhalen, tekeningen en omslagen voor het tijdschrift.
In 2021 ontving hij de Theo Thijssenprijs. De 
oeuvreprijs voor jeugdliteratuur.